Er zijn verschillende manieren om te onderzoeken of bepaalde interventies/behandelingen effect hebben. In de Don’t be late! studie gebruiken we hiervoor twee manieren:
- Onderzoek gebaseerd op metingen
Veel onderzoek gebeurt via metingen, ook wel kwantitatieve gegevens genoemd. Denk bijvoorbeeld aan neuropsychologisch onderzoek of het invullen van vragenlijsten. De scores die hieruit komen worden met behulp van statistiek geanalyseerd. Zo kunnen we bijvoorbeeld vaststellen of een behandeling effect heeft op groepsniveau.
- Onderzoek naar verhalen en ervaringen van mensen
Een andere manier van onderzoeken is luisteren naar ervaringen en perspectieven van mensen, bijvoorbeeld via interviews of groepsgesprekken met deelnemers. Dit wordt ook wel kwalitatief onderzoek genoemd.
Voordat ik begon met promoveren heb ik een ‘Research Master’ afgerond. Dit is een tweejarige master waarin je wordt opgeleid tot wetenschappelijk onderzoeker. Tijdens mijn master lag de nadruk vooral op onderzoek gebaseerd op metingen. Lange tijd had ik het idee dat dit de beste manier van onderzoeken was. Tijdens mijn promotietraject ben ik de waarde van kwalitatief onderzoek steeds meer gaan inzien.
In de Don’t be late! studie combineren we het meten en het luisteren naar ervaringen. Misschien heeft u op de MindS-Lab website al eerdere blogs gelezen van Jip Aarts en mijzelf over het kwantitatieve deel, of van Esther Schippers en Sabina van der Veen over het kwalitatieve deel. Naast de kwantitatieve metingen voor en na de interventieperiode, zijn er met een deel van de deelnemers interviews afgenomen en zijn er ook groepsgesprekken gehouden over de interventies. In deze groepsgesprekken, ofwel focusgroepen, verdiepen we ons in groepsverband verder in onderwerpen die eerder in de interviews naar voren kwamen. Om verschillende perspectieven mee te kunnen nemen, zijn ook de coaches geïnterviewd. Zo krijgen we een completer beeld van hoe deelnemers en coaches de interventies ervaren hebben en wat voor hen belangrijk is. Daarnaast geeft het ons ook meer inzicht in wélke elementen’ uit de interventies goed werken en welke minder.
Ik besef steeds meer hoe belangrijk het is om ook te onderzoeken hoe mensen een interventie ervaren wanneer je die uiteindelijk in de praktijk wilt aanbieden, zelfs als de cijfers uit kwantitatief onderzoek laten zien dat de interventie effectief is. Dit kan in sommige situaties interessante vragen oproepen, soms zien we bijvoorbeeld dat een interventie meetbaar effect heeft maar mensen het verschrikkelijk vonden, of juist andersom: er worden geen meetbare effecten gevonden maar mensen zijn enorm enthousiast over de interventie. We kunnen ons afvragen of we dan wel de juiste dingen hebben gemeten.
Dus als je mij nu vraagt welke van de twee onderzoeksmethoden het meest belangrijk is, dan zou ik zeggen dat kwantitatief en kwalitatief onderzoek hand in hand gaan. Door de kwantitatieve gegevens te analyseren en daarnaast goed te luisteren naar de ervaringen, kunnen we interventies optimaliseren en bijdragen aan een betere kwaliteit van leven voor mensen met MS.
Shalina Saddal, promovenda binnen Don’t be late!