Die vraag kwam de afgelopen tijd steeds vaker bij mij op. De afgelopen jaren hebben wij binnen de Don’t be late! studie gewerkt aan de ontwikkeling en evaluatie van de Multiple Screener, een digitaal screeningshulpmiddel voor cognitieve problemen bij mensen met MS. Zo’n screening kan helpen om cognitieve problemen eerder en laagdrempeliger in kaart te brengen. En wanneer uit onderzoek blijkt dat het werkt, voelt dat ergens als een eindpunt. Het screeningshulpmiddel is nu ontwikkeld en goed onderzocht. Klaar, zou je denken, het is nu aan de artsen om het in hun spreekkamer te gebruiken.
Dus daar stopt de onderzoeker vaak, terwijl de stap naar de dagelijkse praktijk dan nog moet beginnen.
Want dat een hulpmiddel werkt, betekent niet automatisch dat het ook gebruikt wordt in de klinische praktijk. Daar spelen heel andere vragen. Past het in de bestaande werkwijze van een polikliniek? Is er voldoende tijd om de screening af te nemen en de uitslag met een patiënt te bespreken? Wat gebeurt er als iemand laag scoort, zijn er dan voldoende mogelijkheden voor begeleiding of doorverwijzing? En hoe voorkom je dat een extra screening vooral voelt als extra belasting voor zorgverleners, in plaats van als ondersteuning?
Dat zijn belangrijke vragen, zeker in een tijd waarin de druk op de zorg groot is en zorgverleners al te veel moeten doen in te weinig tijd. Als wij willen dat een screening voor cognitie echt meerwaarde heeft voor mensen met MS, moeten wij dus niet alleen weten óf het werkt (of het inderdaad mensen met en zonder cognitieve problemen kan onderscheiden), maar ook hoe het in de dagelijkse gang van zaken op een haalbare en zinvolle manier gebruikt kan worden.
En dus moet de onderzoeker misschien nog een stapje verder gaan door onderzoek te doen naar hoe het hulpmiddel daadwerkelijk een plek kan krijgen in de praktijk. Dat is een uitdaging, want voor mij is dat nieuw terrein. In plaats van vooral te kijken naar het cognitieve functioneren van mensen met MS en hoe wij dat het beste kunnen meten, gaat het nu om vragen als: welke barrières ervaren zorgverleners bij het gebruik ervan? Wat helpt om het hulpmiddel onderdeel te maken van de routinezorg? En welke strategieën zijn nodig om implementatie niet alleen lokaal, maar uiteindelijk ook op grotere schaal mogelijk te maken?
Daarvoor is samenwerking belangrijk. Niet alleen met onderzoekers uit andere disciplines, zoals implementatie- en gedragswetenschappers, maar vooral ook met de mensen die er in de praktijk mee gaan werken. Denk aan neurologen, MS-verpleegkundigen, neuropsychologen en natuurlijk mensen met MS zelf. Zij weten waar de knelpunten zitten, wat haalbaar is binnen een spreekuur, en wat nodig is om cognitieve screening op een goede manier te gebruiken in de dagelijkse zorg.
Volgens mij stopt het werk van de onderzoeker daarom niet bij het ontwikkelen van een hulpmiddel. En ook niet bij het aantonen dat het goed werkt. Uiteindelijk is het doel dat dit soort onderzoek bijdraagt aan betere zorg en dus is er nog een brug te slaan. Pas wanneer mensen met MS daar in de praktijk iets van merken, komt ons werk ook echt tot zijn doel.
Dankzij een subsidie uit het Andrea Evers Fonds kunnen wij het komende jaar deze stap zetten. Dat voelt extra bijzonder, omdat Andrea juist iemand was die bruggen wist te slaan tussen wetenschap en praktijk, en die liet zien hoe onderzoek ook echt impact kan maken. Wij gaan onderzoeken hoe wij ervoor kunnen zorgen dat de Multiple Screener niet alleen beschikbaar is, maar ook daadwerkelijk gebruikt kan worden in de MS-zorg. Ik vind het mooi dat wij nu juist met die volgende stap aan de slag kunnen gaan, en ik besef steeds meer dat het werk van de onderzoeker pas echt betekenis krijgt wanneer het zijn weg vindt naar de praktijk.
Lees hier meer over de toegekende subsidie: Drie projecten geselecteerd voor het Prof. Andrea Evers Fonds voor Gezondheid, Gedrag en Samenleving – Universiteit Leiden
Pauline Waskowiak, postdoc onderzoeker op het Don’t be late! project